Hoe kon de “oude kerk” zo in verval raken?

Om te beginnen, wat er precies gebeurde is niet bekend, maar op 7 januari 1520 was er een bijeenkomst van Schout, Schepenen en de Pastoor om te beraadslagen of men de kerk zou herstellen of een nieuwe bouwen! Er werd een commissie benoemd van 14 wijze mannen. Het moet dus zeer ernstig geweest zijn. Het is vermoedelijk restauratie geworden, want dit jaar kreeg men verlof van de Bisschop van Luik om de H. Mis op te dragen op een draagbaar altaar. Dat wees op een tijdelijk niet-gebruik van de kerk. Al is de kerk tijdens de 80-jarige oorlog (1568) niet in brand gestoken, toch heeft ze erg veel geleden. De meeste parochianen waren gevlucht en de kerk werd door de soldaten moedwillig beschadigd, b.v. de ankers en andere ijzeren delen werden eruit gehaald om te gebruiken voor het leger. Zodoende werd er gesproken over een nieuw kruiskoor, het dichtmetselen van ramen en restauratie van de zijbeuken. Het moeten dus nogal ernstige mankementen geweest zijn. “Het waren treurige toestanden in Gastel”, schrijft Krüger dan ook. Zo zond op 2 mei 1601 kerkmeester Claes Cornelisse een rekest naar de ingelanden van Heerjansland met de mededeling dat 4 pilaren aan de noordzijde ingevallen waren en dat het hele kruiskoor dreigde in te storten. Het kerkbestuur had zich ook gewend tot hun Bisschop van Antwerpen, die toen ook Prelaat was van de Abdij van Hemiksem. Ze ontvingen 600 Carolusgulden. Deze bijdrage was lang niet voldoende en hij riep ook de hulp in van de Gemeente en de ingelanden. Ook zij droegen 600 Carolusgulden bij. Dat waren toch wel forse bedragen in die tijd. Vooral omdat de parochianen zelf niets konden bijdragen, uitgeplunderd als ze waren door de doortrekkende legers.

Er werd een lening verschaft en men ging aan het herstellen. Dat was geen sinecure, want zelfs de klokken en ankers waren door de soldaten meegenomen.

De toestand is dieptreurig en de kerk dreigde in te storten. Ze had nog één kazuifel en één albe tot haar beschikking. Het Allerheiligste werd nog op het altaar bewaard, maar op een wijze die spotte met de kerkelijke voorschriften. Het Hoofdaltaar had slechts vier kleine onooglijke beelden. Zo staat er nog vermeld dat er nog aanwezig was één kelk met zilveren cup. De kerk had ook geen middelen meer om de versleten paramenten (gewaden) te vervangen.

 

Aan de periode 1604 -1655 wordt een aparte pagina gewijd. In deze periode is de seculiere pastoor Arnoldus van Hesselt, ook Arnoldus van Hesselius genoemd, verantwoordelijk voor de zielzorg in de regio en tevens als diaken van het Bisdom Antwerpen werkzaam.

 

Nadat in 1648 de vrede van Munster was gesloten en de ‘Staatse’ als gevolg hiervan de Katholieke kerken confiskeerden voor de Hervormden bleef de Abdij van Hemiksem, als Tiendheffer, verplicht om bepaalde delen van de kerk te onderhouden. Zij kon zich na 1649 daaraan ook niet onttrekken. 

Anth. Proost, rentmeester der Abdij regelde dit. Zo werd in 1661 vastgesteld dat de Abdij al meer dan 10 jaar het priesterkoor, de kruiskoren en het dak van het torentje had onderhouden. De gewone inkomsten van de kerk (van de gronden b.v.) werden gebruikt voor het onderhoud van het schip der kerk (het middenschip), vanaf het kruiskoor tot aan de toren. De zijbeuken en de toren kwamen ten laste van het dorpsbestuur. Het was dus mooi verdeeld! Maar er werd blijkbaar weinig of niets gedaan aan onderhoudswerk enkele jaren na die overname. Dat is begrijpelijk: de afbakening der taken voor Abdij, Magistraat en Kerkgemeente moest nog definitief groeien. Wel besteedde het dorpsbestuur in 1654 de kapitale som van 6 gulden en 10 stuiver aan de kerktoren.

5 Juni 1671 sloeg de bliksem in de toren. Het werd een grote ramp. De spits brandde af, al het houtwerk in de toren verteerde en de klokken smolten. Het duurde jaren vooraleer alles hersteld was. Temeer daar het dorpsbestuur en de Abdij met elkaar procedeerden wie de kosten moest opbrengen voor het herstel. In 1684 werden ze het eens en ook de ingelanden van Heer Jansland droegen bij, n.l. 1696 gulden en later nog eens 571 gulden. Het voornaamste was dan hersteld in 1696. De Magistraat zou twee klokken geven, van 3000 en 2000 pond, nadat de Abdij 1000 gulden had toegezegd.

Pas in 1710 kwamen dan twee nieuwe klokken in de toren te hangen. De grootste klok, gegoten voor de Abdij, draagt het jaartal 1710 en is vervaardigd door Alexis Julien met tekst: “Abbatiae Sanct. Bernardi ad Scaldam Anno 1710. Alexis Julien me fecit”. Ze woog 1100 kg. De tweede klok uit hetzelfde jaar, eveneens door A. Julien gegoten, woog 700 kg. “toen Adriaen van Zevender drossaard was”. De derde klok kwam pas in 1760, woog 175 kilo, was gegoten door Marianus J.B. Wierinck te Overmeire, onder drossaard Abraham Banier. Dit laatste klokje harmonieerde niet met de twee grote klokken. Ze hebben hun dienst gedaan tot 12 februari 1943 toen de Duitsers ze uit de toren lieten halen om de oorlog te winnen…!

In 1711 had de Abdij een pastorie laten bouwen vlak bij de toenmalige schuurkerk. Ze deed dienst tot 1890. Ondertussen hadden de roomsen met toestemming van de Overheid dus een schuurkerk mogen bouwen op de Meir in 1685. Dus van 1649 tot dan hadden ze geen kerk en werden de diensten gehouden op diverse plaatsen zoals schuren e.d.

De Abdij die toch zoveel moest betalen aan het kerkonderhoud had haar bezwaren ingediend tegen het betalen van de “verpondingen”. Maar de Raad van State besliste dat zij dit toch moest blijven doen aan “de collecteur vanwege het dorp gesteld”.

In die schuurkerk was het Hoofdaltaar toegewijd aan de H. Laurentius en er was ook nog een Maria-altaar. Had Hessels in zijn grote kerk nog een groot aantal verschillende altaren genoemd, die een bepaalde devotie waren toegewijd, na 1649 werd er uiteraard niet veel meer over gezegd. Dat kon trouwens ook niet in die kleine schuurkerk.

Omstreeks 1708 had het gedurig achterstallige onderhoud van de kerk en toren wederom ernstige gevolgen. Vele ruiten waren stuk, toren en zelfs de kerkhofmuren onderkomen. Van de toren waren hele stukken afgevallen. In 1722 stelde Willem van Diepenbeek, een protestants kerkmeester en knap tekenaar van landkaarten, voor, op een gecombineerde vergadering van de Regenten van Oud en Nieuw Gastel om de kerk te herstellen en de Abdij aan te manen haár deel daartoe bij te dragen. Ook het herstel van de glasramen behoorde tot de taak van de Abdij. Die wilde dat dan best doen maar stelde de eis dat het dorp drie-achtste van de kosten voor haar rekening zou nemen. En dat accepteerden die Regenten dan weer niet. Wel werd er een contract opgemaakt van 12 jaar met een glazenmaker voor 24 gulden per jaar. In 1735 werd dit nog eens verlengd met 10 jaar. Maar het verval ging voort!

In 1728 waaide er zelfs het dak torentje eraf. Alles lag weer open voor wind en regen. Men stelde voor het ontstane gat dicht te leggen met leien, maar men claimde wel dat herbouw later zou plaatsvinden. De Abdij wilde die plicht afkopen, maar dat werd geweigerd. Wel ging het dorpsbestuur overstag met het betalen van die drie-achtste van de kosten voor glas zetten.

Die problemen over de onderhoudskosten van de afgenomen kerken kwamen natuurlijk elders ook voor. Omdat de Landsregering omstreeks 1730 zich wat liberaler opstelde ten opzichte van de roomse priesters werd de Raad van State overstelpt met processen over geschillen betreffende de onderhoud der kerken. De Abdij zegde toe, in afwachting van zo’n uitspraak, het dak van kerk en toren te laten herstellen.

Deze rechtsgedingen vielen gunstig uit voor de dorpsbesturen en de Abdij bleef verplicht tot het onderhouden van het grootste deel van de kerk. Maar de proceskosten waren zo hoog opgelopen dat beide partijen flink moesten betalen.

Maar herstelwerk bleef nodig en in 1731 besloot het dorpsbestuur, dat het blijkbaar niet langer kon aanzien, het herstel onmiddellijk in dagloon te laten uitvoeren. En dan maar zien hoever men kwam. Een zekere Abraham de Wijs nam het aan voor 2 gulden en 1 stuiver per dag, 30 stuiver voor elke knecht, en de eerste opperman had 1 gulden twee stuiver, de tweede 16 stuiver. Verder werkten de metselaars op eigen drank, kost en gereedschap. Na overleg sloot de Abdij toch een overeenkomst met de Magistraat over herstel van Koor en Kruiskerk. Alleen binnen in de kerk wilde de Abdij niets bekostigen. Ze wees dat af evenals het onderhoud van de Consistoriekamer. Ze moest reeds het traktement van de Predikant betalen en weigerde principieel ook nog bij te dragen aan de kosten voor de eredienst. Dat ging haar te ver. De Abdij zou dus ook de spits van de toren herstellen en verder onderhouden. Zo werd in 1738 een nieuw kruis op de toren gezet. Ene Pieter Voorhouder haalde het eraf, herstelde het en herplaatste het. Met nog een nieuwe koperen haan en wimpel. Ook het dak van de kerk werd weer hersteld, zonder bijdrage van de Abdij. In 1745 werd dan 900 gulden besteed aan reparatiewerk. Om een en ander te kunnen bekostigen werd een leges van 18 stuiver ingesteld op het trouwen. Zoals uit de afrekening van 1747 blijkt liep de kerk nogal wat schade op door een inundatie. In 1752 werd een commissie benoemd om de schade van de inundatie te herstellen. De Regenten en de Heer van Cattenburg, rentmeester der geestelijke goederen in het Kwartier van Bergen op Zoom waren met de financiering ervan belast. De dorpsbesturen zouden bijdragen.

Anthony Horsten kreeg in 1755 opdracht om het op de muren aanwezige schilderwerk op muren en pilaren (op initiatief van Pastoor Hessels aangebracht) af te kappen en te bepleisteren. Het volledige Bestek voor deze opdracht is nog aanwezig, het was professioneel opgesteld met vele artikelen. De muren en kolommen moesten dus witgepleisterd worden met fijne Franse kalk en de ondermuren 31 voet hoog geteerd worden. Het kostte 149 gulden en het werd openbaar aanbesteed.

De Staten-Generaal besliste in 1755 dat het dorpsbestuur de toren en de zijbeuken moest onderhouden ten laste van de dorpsrekening. Alle ingezetenen moesten meebetalen ongeacht hun godsdienst. Ze mochten daartoe dan een lening sluiten. De Regenten echter waren het er niet mee eens en na een compromis zou de Magistraat 1280 gulden vorderen van de inwoners.

In 1766 werd een nieuwe schuurkerk ingewijd, ze stond vooraan in de Rijpersweg links. Anno 1776 is er weer verschil van mening over de vraag wie de herstelwerken (telkens) moet betalen. De Kerkenraad stelt dat de kerkelijke inkomsten alleen mogen worden gebruikt voor de noodzakelijke reparatie van de “buik”, dat is het middenschip tussen de rijen pilaren in. De rest te weten “het Hooghe Choor” (priesterkoor), de kruiskoren, en het kleine torentje tot last van de Abdij. Terwijl de zijbeuken met de grote toren ten laste van het dorpsbestuur komen.

Op 16 januari 1778 vaardigen de Staten-Generaal een “Plakaat” uit over de tiendheffing en de onderhoudsplicht voor de kerken. Ongetwijfeld waren ook in andere plaatsen moeilijkheden gerezen over deze materie. Waarschijnlijk vooral bij de afgenomen kerken. In dit Plakaat werden de tiendheffers (i.c. de Abdij) verplicht tot het bouwen, vernieuwen, repareren en onderhouden van de kerken ten plattenlande, met de predikstoel, zitbanken en vloeren en met uitzondering van de toren. En de tiendheffers zijn tevoren nalatig geweest, staat erbij. Zowel in het kerkelijk archief als in het gemeentearchief is dit plakkaat aanwezig. De Abdij (tiendheffer) deelde mede dat ze zich gebonden achtte aan de akkoorden van 1689 en 1735, waarin een andere lastenverdeling werd overeengekomen. De kerkelijke en wereldlijke overheden namen dit plakkaat voor kennisname aan en op papier werd een en ander geregeld overeenkomstig de afspraken van 1776. Het feit nu dat de tiendheffer (de Abdij dus) tot een gedeeltelijk onderhoud werd verplicht, werd in 1799 door de Abdij gebruikt om te bewijzen dat de kerk en pastorie steeds haar eigendom waren gebleven. En de eis tot teruggave werd mede hierop gebaseerd.

In 1788 brandde de schuurkerk af (gebouwd in 1766) en werd direct herbouwd. De Abdij leende daarvoor een bedrag van 6836 gulden 13 stuivers en 8 penningen. Voor die tijd een grote som.

 

Tijdens deze Franse overheersing werd er in 1798 een staatsregeling uitgevaardigd en artikel 6 van deze z.g. “additionele artikelen” verklaarde dat alle kerkgebouwen en pastorieën, die de Hervormden in gebruik hadden en die niet door hen zelve waren gebouwd, werden overgelaten aan de dorpsbesturen. Het voornaamste gevolg was het teruggeven van de vóór 1800 afgenomen kerken onder bepaalde voorwaarden, en vrijheid van godsdienst. Op grond van deze regeling kwam dan de grote kerk op 21 december 1800 weer in roomse handen.

 

Lees verder in: De Franse Tijd

 

De Fransen zijn weer vertrokken:

 

In het jaar 1816 werd het aarzelend begonnen herstelwerk grondig voortgezet. Pastoor Lippens werd in 1816 opgevolgd door Bernardus van Lantnay uit Opwijk. De toren moest geheel in de steigers. Hij lag open en de leien waren van de spits verdwenen. Tevens was er timmerwerk, schilderwerk, stukadoorswerk en werden er plavuizen gelegd. In datzelfde jaar gaat er weer een brandbrief van het dorpsbestuur naar de Hoofdadministratie der Domeinen te ‘s-Gravenhage. Hij was gericht aan de Minister Baron van Lynden. Ze herinneren aan de tiendheffing eerst door de Abdij, toen door de Commissie van het Dep. Bestuur van Brabant en toen door de Domeinen, met de vermelding van de diepe staat van verval van kerk en toren.

In 1818 kreeg de kerk een orgel van de Abdij. Het kwam oorspronkelijk uit het klooster van Hemiksem. Het werd in eerste instantie geplaatst in het kruiskoor. Later werd het definitief in de toren geplaatst. Het had daar een prachtig orgelfront van eikenhout met veel ornamentwerk en barok engelenfiguurtjes.

Dat orgel was een kostbaar geschenk, vervaardigd in 1690 door Forceville. Volgens Taxandria stond het in de eerste travee van het priesterkoor noordzijde (bij K afb. 3). Maar gezien de omvang van het orgel lijkt dat niet mogelijk. Pas in 1878 werd het dan in de toren geplaatst. Er werden daartoe twee nissen in de muren gekapt. De verbindingspijpen werden onder een verhoogde vloer gelegd. Thans is dat nog zo.

Dat het nodig was om de toren aan te pakken, bleek uit een mededeling in 1818: er vielen stukken steen naar beneden op het dak van het Raadhuis en de vroedvrouw woonde daar nog wel in!

Er werd in die jaren een nieuw, definitief herstelplan opgemaakt. Totale kosten 26000 gulden. De Domeinen die met de tiendheffing ook de onderhoudsplicht had overgenomen, wilde het hele karwei in termijnen doen uitvoeren. Maar de aannemer wilde zijn steiger niet drie jaar buiten laten staan. Hij wou het in de jaren 1819-1820 afwerken. Daarop bood de Domeinen aan het werk af te kopen voor 14000 gulden contant en 10000 gulden in stukken z.g. “Werkelijke schuld” van het Rijk â 21 percent. Het Kerkbestuur accepteerde dit aanbod maar de totale kosten bleken later toch nog 15688 gulden te zijn. Het was wel minder dan begroot, maar later bleek men veel te zuinig te zijn geweest. Want nog in 1820 diende Cornelis Gelijns, mr. metselaar en Pieter van Keep mr. timmerman een prijsopgave in voor het bouwen van een steiger rond de toren en de reparatie aan de toren en de kerk, aan het R.K. Kerkbestuur voor de som van 20449,60. De penningmeester van het Kerkbestuur, Leonardus Timmermans, zette een en ander gedetailleerd op papier.

Een zekere S.P. Hosselet heeft in 1835 de kerk nog eens gewit voor 195 gulden. Andries de Meulder maakte in 1826 twee metalen “mooten” aan de “middelbare” klok voor 46,47 gulden. De volgende jaren komen wij zijn naam regelmatig tegen in de nota’s voor de kerk. Hij was blijkbaar de vaste koperslager van de kerk. Op 1 februari 1832 trad de Heer Nicolaas van Mechelen op als thesaurier (penningmeester) als  opvolger van de overleden Anthony Horsten. Tijdens de volgende decennia werden er voornamelijk normale onderhoudswerken aan kerk en toren, gedaan door Gastelse ambachtslieden. Behalve de leidekkers die meestal van elders kwamen, evenals de orgelhersteller. Een grote post komen we tegen in 1846 toen voor 2119,10 gulden een nieuwe vloer werd gelegd. Tegels vermoedelijk. Men ontdekte toen ook het graf van Frans van der Sande.

Nogal wat ambachtsrekeningen werden in 1853 ingediend: 141 gulden voor timmerwerk, 596 gulden voor metselwerk, 137 gulden schaliën. Ook in 1854 767 gulden voor “leverantie en metselloon”.

In 1855 merken we dat het in 1853 opgerichte Bisdom Breda haar invloed laat gelden. De kerk wordt nu verzekerd voor 50.000 gulden, de pastorie voor 10.000.

Dan komt in 1860 en volgende jaren een groot herstel van de toren op gang onder leiding van architect Venema uit Den Bosch, met als toezichthouder Fl. van der Vaart. Deze hadden gewerkt aan de restauratie van de St. Jan aldaar. Dit duurde tot 1864. De hele toren kwam in de steigers te staan. De restauratie werd grondig aangepakt, al het slecht metselwerk werd uitgebroken en vernieuwd, maar er kwam ook een grote verandering in het silhouet. Voorheen had de spits namelijk een zogenaamd “helmspits” model en liep met een minder steil stuk onderaan af tot over de randen van het staande metselwerk van de romp van de toren. (zie afb. 6) Nu werd het staande metselwerk boven de galmgaten enkele meters hoger opgetrokken en daarop werd een balustrade gemetseld, waarmede tevens een omgang ontstond rond de spits. Daardoor is de toren iets rijziger geworden en lijkt nog slanker. De kosten in 1862 beliepen 6533,95 gulden. Toch ging alles niet van een leien dakje, om een toepasselijke spreuk te gebruiken. Er ontstond twijfel over de kwaliteit van het werk. In ieder geval het werk kwam in 1864 klaar. De totale kosten beliepen 32500 gulden. De afbraak van de steiger bracht nog 1234,15 gulden op. Ook het torenkruis werd tegelijk hersteld. In deze jaren werden twee nieuwe biechtstoelen aangeschaft. Met de daarvoor nodige veranderingen bij het plaatsen kwam dat op 975,871 gulden.

De architect van Genk uit Bergen op Zoom werd in 1868 aangezocht om de doopvont en de stoelen in het Koor te veranderen. En de vraag werd gesteld moeten we de nieuwe banken door Gastelaars laten maken. Dat wordt dan een hele discussie in het kerkbestuur. Ook werd toen gesproken over het verpachten van de zitplaatsen. Er werd in die jaren geregeld gedokterd aan de banken. De oorzaak was: de kerk was te klein en er moesten zitplaatsen bijkomen.

Omdat de waarde van het interieur steeg werd de kerk weer hoger verzekerd tot 100.000 gulden inclusief de pastorie. Er werd ook een “bliksemafleiding” geplaatst voor 274 gulden. Het vergroten van de sacristie kostte 656 gulden.

Toch is er iets aan de hand. Vooral wat betreft het z.g. “grootonderhoud”. Er wordt op die post steeds minder begroot. Wordt er over nieuwbouw gedacht? in de notulen wordt er nog niets over geschreven. Wel zocht het Bestuur naar een plaats voor een nieuw en groter kerkhof. Het zal ongetwijfeld wel te klein geworden zijn, maar het kan ook zijn dat men de ruimte rond de kerk nodig had voor uitbreiding. In 1870 werd er nog herstelwerk verricht aan het ijzeren hek in de kerkhofmuur en aan de “piscine” bij de kerk.

In 1870 werd voor 3312,25 gulden grond in de Korte Dreef aangekocht om een nieuw kerkhof aan te leggen. En het oude kerkhof, rond de kerk, dat zoveel eeuwen had dienst gedaan, werd 1 mei 1872 gesloten.

 

Vergroten of nieuwbouw?

 

Op een Kerkbestuursvergadering in 1872 werd de noodzaak besproken om de kerk te vergroten. Het was des zondags zó druk, dat het volk “veel te gedrongen zat”. Er kon geen behoorlijke processie meer gehouden worden en het ter communie gaan kon ook niet goed meer geregeld worden. Het bezoek aan de kerk werd zelfs “nadelig voor de gezondheid” genoemd, “des zondags in de Hoogmis waren verscheidene mensen genoodzaakt om de Dienst te verlaten en anderen er zich van verwijderd te houden”. Zo staat het in de notulen. Er was ook nauwelijks plaats voor de lijkbaar.

Er werd dan gestemd voor de vergroting. Blankers, Lauwerijssen, Slooters en van Kinderen stemden tegen. Later bleek dat ze veel liever een nieuwe kerk hadden. De Bisschop adviseerde voorlopig geen bouwplannen te maken in verband met de schulden die de kerk nog had. Maar op de begroting werd weer niets geboekt voor onderhoudskosten. Wel werden schulden afgelost door effecten te verkopen. Op het kerkhof werd in 1874 een “lijkenhuisje” gebouwd. Voor 647 gulden.

Weer wordt op de bijeenkomst van het Bestuur op 23 maart 1875 gesproken over de noodzaak tot het vergroten van de kerk. Vóór zijn de Pastoor, Verlinden, van Mechelen, Slooters en van Kinderen. Blankers blijft tegen.

Op 13 april 1875 werd het Dagelijks Bestuur gemachtigd een overeenkomst aan te gaan met architect Floor van de Vaart over een vergroting der kerk. Het plan werd wel voorgelegd, maar is nooit uitgevoerd. Vermoedelijk is er een verzoek gericht aan de Minister om te mogen bouwen op het gesloten kerkhof rond de kerk. Maar dit werd geweigerd. Er werd druk gecorrespondeerd over deze zaken met de Bisschop van Breda, Gedeputeerde Staten en de Minister. In 1877 werden toch nog de ramen van het Koor tot drie meter hoogte dichtgemetseld. Blijkbaar was het niet meer mogelijk om er nog ruiten in te zetten. En weer ging een verzoek naar de Minister om te mogen graven op het oude kerkhof. Het antwoord van deze was nu gunstig. Toestemming werd verleend om dit te doen en tien lijken werden herbegraven op het nieuwe kerkhof. In de kerk werden nog steeds aanpassingen gedaan aan zitplaatsen,stoelen en banken, vanwege het plaatsgebrek. Met onderhoudskosten toch nog 1405 gulden, vooral herstel werk aan de toren. We komen bij deze rekeningen tegen van bekende families: A. van Merriënboer en A. van den Eijnden, metselaars, weduwe C. den Ronden, smid, A. Knaap en J. de Vos, schilders, J. Jongenelen en P. Bruijninckx, timmerlieden.

Het nieuwe orgel, nog in het kruiskoor, werd nu in 1878 definitief in de toren geplaatst door P. Bus, orgelbouwers e.a. In de bijna twee meter dikke muren werden nissen gekapt, om de vele orgelpijpen en de grote blaasgalg, een goede ruimte te geven.

De verbindingen liepen onder de vloer door, die daartoe iets verhoogd werd. Nu konden beneden weer extra zitplaatsen gemaakt worden. Vermoedelijk dat nu ook de koorzangers, nabij het orgel, onder de toren gingen zingen. Die zangers kregen ook toestemming om het plaatsengeld van de kerkgangers, die ook boven op het zangkoor konden gaan zitten, te innen. Ze mochten het houden voor hun kas in 1881.

Het verzekeringsbedrag van kerk en pastorie werd opgetrokken tot 160.000 gulden. De kerk werd toch nog eens gewit en geverfd. Dat “witten” moet men niet al te letterlijk nemen, want “monumentenzorg” die de kerk opnam in 1898 spreekt van een “donkere tint die de kerk een vervallen aanzien geeft”. Het kostte dat jaar alles bij elkaar 680 gulden aan “gewoon onderhoud”. In 1880 werden de grote ramen van het kruiskoor (transept) nog eens hersteld. De kerkstoelen werden voor reparatie aanbesteed aan Antoon van de Horst voor één jaar voor 1200 gulden.

Op 10 juli 1883 werd Rumoldus (Tezelinus) van Aalst geïnstalleerd als opvolger van zijn broer Petrus. Het orgel kreeg een nieuw klavier voor 250 gulden. Achterin de kerk werd nóg iets vertimmerd om meer zitplaatsen te verkrijgen.

Jan van den Berghe uit Oudenbosch ging het torenuurwerk nu zo veranderen dat driemaal daags het “Angelus” zou luiden. Kosten 200 gulden. Voor deze aanpassing zal de Gemeente jaarlijks 25 gulden bijdragen, omdat deze de gesubsidieerde klokken-luider nu niet meer hoefde te betalen. Bovendien zal een zekere Heer Stevens een plan indienen tot het vermaken, repareren en vernieuwen van het orgel voor 1545 gulden. Het wordt gegund. Alle onderhoud en herstelwerk richt zich blijkbaar voornamelijk op de toren, zowel binnen als buiten. Daaruit zou men kunnen afleiden dat aan afbraak van de toren nooit gedacht of erover gesproken is.

Het praten over vergroting van de kerk werd even op de achtergrond geschoven omdat er een nieuwe pastorie ter sprake kwam. Het kerkbestuur zocht eerst nog contact met de familie van Loon in Roosendaal, tot aankoop van “Het Hof” op de Markt, om die dan als pastorie in te richten. Het liep op niets uit. Nog in 1889 werd met de bouw begonnen, plaats: Veerkensweg 2, dus nu Gemeentehuis.

De nog openstaande zitplaatsen op het zangkoor zouden voortaan ook verpacht worden op Driekoningen. Wat betreft onderhoud: alleen het hoognodige zou worden gedaan, zoals het in dagloon restaureren van de torenspits. Het volgende jaar werden toch nog twee nieuwe communiebanken aangeschaft en de oude werden geschonken aan een “arme kerk”. In de jaren 1894-95 werd er op de begroting niets vermeld over herstel en het “gewone-onderhoud” was zeer matig. Het Groot-Altaar werd nog wel eens opgeschilderd, alsmede de kleine Zijaltaren. In 1897 kreeg het kerkbestuur toestemming van de Bisschop twee gegoten koperen kandelaars te verkopen. Ze staan nu in het museum “De Ghulden Roos” te Roosendaal. Ze waren in 1982 tentoongesteld in onze kerk bij het 75-jarig jubileum. Dit jaar wordt een overeenkomst aangegaan met de Gemeente, dat de oude muur van het voormalige kerkhof zal worden afgebroken en worden vervangen door een “traliewerk”, dat dan een weinig teruggeplaatst zou worden. Het kerkbestuur gaat er mee akkoord op voorwaarde dat er langs de kerk nooit een tramlijn zal worden aangelegd. Een en ander wordt zo nauwkeurig mogelijk vastgelegd. Maar het traliewerk wordt vervangen door een stenen muur, ietwat teruggeplaatst met een “ijzeren hekke” erin.

 

Het definitieve einde !

 

In 1898 gaat dan toch een verzoek naar de Bisschop tot het bouwen van een nieuwe kerk! Raming 180.000 gulden door van Genk,

architect. De plannen krijgen dus vaste vorm. Er kwam zelfs al een voorlopige toestemming om een noodkerk te bouwen. Ook kwam de toestemming binnen van de Minister om te mogen bouwen op het 26 jaar geleden gesloten kerkhof (rond de kerk). Dit was dus kennelijk aangevraagd met de bedoeling daarop te gaan bouwen, het zij voor uitbreiding of nieuwbouw. Op verzoek van de Pastoor bracht van Genk een rapport uit over de toestand van de bestaande kerk. Het was vernietigend, allicht. Van Genk constateerde, met assistentie van P. Bus, dat de stenen ribben, waaraan de “spiegels” hangen (van de gewelven dus) begonnen los te laten, waarschijnlijk door wijking van de muren. Dus instorting van de gewelven dreigde. Er werd nu een algemene collecte afgekondigd van de kansel, om gelden te verzamelen voor nieuw gebouw. Die “collecte-preek” is nog volledig aanwezig. Maar de tegenstand van de parochianen was zodanig dat de collecte werd afgelast. Ze bracht slechts 1500 gulden op en werd de volgende zondag herroepen.

Uit kringen van kunstkenners en monumentenzorg verzette men zich tegen de bijna definitief aangekondigde afbraak. “Weer een middeleeuws monument verloren.”   24 Januari 1899 kwam er een missive van de “Minister van Binnenlandse Zaken” waarin hij de afbraak betreurt. Dit naar aanleiding van een brief van Burgemeester A.G.J. Mastboom hierover. Ook Mgr. Leijten, Bisschop van Breda, ontving deze missive. Het College van B en W ondersteunde dit. De Minister adviseerde ook om de kerk te behouden, te restaureren en zo nodig te vergroten. Dit idee steunde op een onderzoek van de beroemde architect Pierre Cuypers. Die was zelf komen kijken en reeds 72 jaar oud. Zijn plan was er twee zijbeuken aan te bouwen, dat leverde 288 zitplaatsen op. Van Genk kelderde dit ontwerp op technische gronden. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken presenteerde dus een “Nota” betreffende het onderzoek. Deze nota werd later in 1906 gepubliceerd in het jaarboek van “Taxandria”, jaargang 12.

Ondertussen was de Parochie Stampersgat opgericht en dat gaf wat soelaas wat betreft de zitplaatsen. Die brief van de Minister maakte toch indruk ook bij de Bisschop en ook hij adviseerde om niet af te breken en voorlopig maar aan te sukkelen. De pas benoemde burgemeester A.G.J. Mastboom, lid van het kerkbestuur vanaf 24 januari 1899, was de spreekbuis van vele parochianen om de kerk niet af te breken.

Desondanks kreeg van Genk op 10 februari 1899 verzoek om een plan voor een nieuwe kerk te maken. (Het staat nergens met zoveel woorden vermeld, maar de indruk is sterk dat van Genk aasde op een definitieve opdracht tot het maken van een ontwerp voor een nieuwe kerk.) Er werd in de kerk een “Suisse” aangesteld namelijk Jacobus Baart, beter bekend als Ko Baart. De kerk werd steeds bouwvalliger, zeker nu er praktisch niets meer aan gedaan werd. En het Rijk gaf ondanks haar adviezen geen cent subsidie.

Een jong architect Ir. (later prof. en minister) van Swaay leverde ook een ontwerp in tot restauratie en vergroting van de kerk. Hij trachtte met zijn relaties in Den Haag nog subsidie te verkrijgen. Die nooit kwam! Dat zij gezegd!

Toen kwam plots een brief van de Bisschop van Breda met toestemming om een nieuwe kerk te bouwen op 17 februari 1905, gericht aan het kerkbestuur en Pastoor G.A. Damen, pastoor vanaf 1903. Een reden op papier voor deze plotselinge toestemming is niet te vinden. Vermoedelijk is er wel mondeling contact geweest.

 

De afbraak werd direct aangepakt en reeds op 27 maart dat jaar kwam Ir. van Swaay met een ontwerp voor een nieuwe – nu neogotische – kerk. De heren Mastboom en van Mechelen traden uit het kerkbestuur uit protest.

En zo kwam er dan een einde aan deze middeleeuwse kerk en haar lijdensgeschiedenis. Een kerk die ruim 400 jaren haar mensen had gediend, en die men met zoveel moeite overeind trachtte te houden. Maar dit laatste is dus niet gelukt.

Jammer, heel jammer!

 

Lees verder in: De Hervormde Gemeente van Gastel

 

Lees verder in: De Heilige Laurentiuskerk

 

terug naar het begin van de pagina

 

Bronverantwoording