De Hervormde Gemeente in Gastel

De Reformatie:

Zestiende eeuwse kopie van de stellingen van Maarten Luther
Zestiende eeuwse kopie van de stellingen van Maarten Luther

In het begin van de 16e eeuw ontstaat er door onvrede met de gang van zaken in de Rooms Katholieke kerk een beweging onder leiding van een Duitser, Maarten Luther, die zich sterk maakt voor verandering in deze kerk. Vooral het systeem van zogenaamde aflaten (de mogelijkheid om zonden en misstappen af te kopen) is een doorn in het oog. Luther vond dit aflaatsysteem een schande. Hij geloofde niet dat God zonden vergeeft na het betalen van geld aan de kerk. De enige manier om vergiffenis te krijgen van God is volgens Luther het tonen van oprecht berouw. De hoge opbrengsten van de aflaten werden gebruikt voor de bouw van basilieken en kathedralen; zo ook de Sint-Pieterbaseliek in Rome. Maarten Luther poneert 95 stellingen waar men zich naar moet verhouden en dit markeert in 1517 het begin van de Reformatie. Enkele jaren later keert ook de Fransman Johannes Calvijn zich tegen de gang van zaken in de R.K. Kerk. Beide willen de R.K. Kerk van binnenuit veranderen, maar als dat niet lukt is een afscheiding het resultaat. Luther en Calvijn vonden allebei dat niet de paus de juiste leider was van de kerk, doch Calvijn met name vond dat er kerkenraden moesten worden opgericht om de kerk te besturen. Deze kerkenraad moesten dan vervolgens bestaan uit mensen van de gelovige elite, zoals doctoren, pastores en ouderlingen. Calvijn vond ook dat de bevolking in opstand mocht komen tegen de vorst en deze mocht afzetten als die zich als een tiran gedroeg en de eer van God niet verdiende. Mede hierdoor werd het calvinisme erg belangrijk in Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

 

De Hervormde gemeente in Gastel:

In Oud Gastel is reeds een protestantse gemeente voordat een eigen predikant is gekomen, de eerste kerkdienst werd hier 28 januari 1646 gehouden onder leiding van ds. Marcus Suerius uit Oudenbosch. Wel is er een eenvoudig, ongeletterd man, Jan Mattheuss, van wie eenieder weet dat hij de Gemeente vele diensten heeft bewezen voordat er een predikant kwam. Dit valt te herleiden uit de kosten die hem worden vergoed voor de reizen, die hij ten behoeve van de gemeente verricht, in totaal wel 45 gld. Hij is 15 augustus 1649 tot ouderling bevestigd en woont te Oud Gastel. Jan Mattheus kan niet schrijven, want i.p.v. een handtekening zet hij een merkteken onder de verklaring betreffende de reiskosten. De vorm doet sterk denken aan het later zo verfoeide hakenkruis, maar dat kon de goede man natuurlijk nog niet weten. Het wordt niet nader gespecificeerd, maar wat hem in 1651 wordt vergoed zal zeker betrekking hebben gehad op een bezoek aan de op 15 juni 1649 te Bergen op Zoom bijeengekomen classicale vergadering. In de acta (verslag van de bijeenkomst) staat nl. vermeld, dat de kerk (= gemeente) van Gastel zich erover beklaagt dat zeer zelden haar verzoeken worden gehonoreerd, omdat een predikant tot nog toe afwezig is. Besloten wordt dat voorlopig door de predikanten van Hoeven, Oudenbosch, Rucphen en Standdaarbuiten de honneurs worden waargenomen. In dezelfde vergadering komt Gastel nog eens aan de orde, want “sekere inwoonders van Gastel beclagen haer…. over de groote insolentie ende gewelt der paepisten aldaer in ’t dreygen en quetsen van sommige persoonen”.

Jan Mattheus’ ouderlingschap duurt niet lang, want al in 1652 wordt hij ontslagen van zijn dienst zonder dat er een ander in zijn plaats komt. Het volgende jaar verhuist hij met zijn vrouw Maycke naar Ossendrecht. Op 25 augustus 1652 heeft hij nog een bedrag van 6 gld. ontvangen voor de reizen, die hij “met de karre” op last van de predikant had gemaakt.

 

De eerste predikant:

Op het moment dat in de classicale vergadering ongeduld wordt uitgesproken over het uitblijven, is de nieuw aan te stellen predikant, ds. Francois Becude, al onderweg. Deze tekent aan in het kerkeboek, dat de activiteiten van de kerkenraad en de inschrijvingen van de leden bevat, dat hij 13 juni 1649 met zijn gezin uit Calais in Frankrijk is afgevaren naar Vlissingen en 25 juni aan het Stoutergat (= Stampersgat) is aangekomen, waarna hij 27 juni 1649 zijn eerste preek te Gastel houdt. Zijn reiskosten worden door de Raad van State vergoed.

Hij heeft dan al heel wat jaren predikantschap achter de rug, nl. in de Nederlandse gemeente te Calais, waarheen hij in 1620 door de zorg van de classis (verenigde vergadering van oudsten) van Walcheren was geroepen (desbetreffende brieven zijn bewaard gebleven). Hij had te Sedan in Frankrijk gestudeerd en er een universitaire graad gehaald. Zijn familie, die met ds. Becude meekomt uit Calais en de naam Creton draagt, versterkt de gemeente van Oud en Nieuw Gastel. Deze gemeente is in 1649 van tamelijk geringe omvang. Ds. Becude treft 13 belijdende leden aan in het kerkeboek, maar dit aantal wordt in de komende jaren vrij snel vergroot. Daarmee kan zijn predikantschap worden gekenmerkt als: rustige opbouw en uitbouw van de gemeente, waarheen hij vanuit het ongetwijfeld veel bedrijviger Calais is gekomen. Ds. Becude, reeds op leeftijd, nl. 57 of 58 jaar oud, zal gedurende 16 jaar aanblijven.

De gemeente was ingedeeld bij de classis Tholen en Bergen op Zoom en behoorde daardoor kerkelijk bij de provincie Zeeland (het overige gebied van de Generaliteits-landen bij Zuid-Holland resp. Gelderland). De acta van deze classis zijn bewaard gebleven vanaf 1584 met een hiaat van 1608 tot 1624, dus ruimschoots van vóór de stichting van de Hervormde Gemeente in Oud en Nieuw Gastel.

Pastorie en Kerk werden in 1649 door de Hervormde Gemeente in gebruik genomen
Pastorie en Kerk werden in 1649 door de Hervormde Gemeente in gebruik genomen

Het leven van een kleine protestantse gemeente temidden van een overwegend rooms-katholiek gebied verloopt niet geheel probleemloos. In de vergadering van 5 juli 1650 klagen de predikanten van Oudenbosch, Gastel, Hoeven, Wouw en anderen erover dat zij uit de voor hen door de Staten-Generaal ingeruimde pastorieën dreigen te worden gezet. Dit dreigement zal wel van de plaatselijke overheid afkomstig zijn. Een dergelijke kwestie speelt ruim 5 jaar later weer, maar dan betreft het de school. De schoolmeester verzoekt 4 januari 1656 om bescherming van zijn “schoolhoudinge” (leerlingen) tegen de “paepse schoolhoudinge” (Rooms-katholieke leerlingen). Besloten wordt dat gedeputeerden van de classis er bij de drossaard ernstig op zullen aandringen dat de “paepse usurpatie” (wederechtelijk inbezitneming) tegen de school wordt geweerd en de gereformeerde school in stand wordt gehouden.

Inmiddels is er te Gastel zelf 4 juli 1651 een vergadering van de classis gehouden en naar toenmalig gebruik was de gastheer tegelijk praeses (voorzitter). Verder zwijgen de acta gedurende een groot aantal jaren zo goed als geheel over Gastel totdat ds. Becude er kennis van geeft dat hij op zijn leeftijd – hij is de 70 gepasseerd – niet meer al zijn verplichtingen kan nakomen. In de vergadering van 3 april 1663 te Stavenisse (voor hem de meest afgelegen plaats in de classis!) wordt een brief van hem voorgelezen, waarin hij zich verontschuldigt over zijn afwezigheid wegens zijn hoge leeftijd en tevens verzoekt dat de volgende vergadering te Gastel wordt gehouden. De broeders willigen dit verzoek als gefundeerd in de classicale wetten in. De vergadering van 13 juli 1663 wordt inderdaad onder het presidiaat (voorzitterschap) van ds. Becude te Gastel gehouden (hij acht dit zo belangrijk dat hij hiervan zelf in het kerkeboek melding maakt). Dit houdt tevens in dat hij ook praeses moet zijn van de buitengewone vergadering, twee weken later bijeengeroepen om kandidaat Schamfelarus te examineren. Inmiddels is het in onbruik geraakt om de classicale vergaderingen elders dan in de steden te houden. En ds. Becude gaat zich nu ook te oud voelen voor het predikantswerk zelf. Zijn kerkenraad verzoekt 10 mei 1665 bij de Staten emeritaat (pensioen) met behoud van traktement voor hem aan te vragen wegens zijn hoge leeftijd. Dit verzoek is ook in het kerkeboek genoteerd.

Zoals reeds gemeld trof ds. Becude bij zijn komst 13 leden aan. Bij zijn emeritaat is dit aantal gegroeid tot omstreeks 50. Aanwas was er meteen al door de leden die met hem meekwamen, waaronder de familie Creton, die in 1659 naar Walcheren zou vertrekken, als ook ander overheidspersonen e.d. zoals als eerste reeds in juni 1649 de schoolmeester Abraham van der Leen met zijn vrouw Eva Allier, doch zij leveren een betrekkelijk klein percentage van de totale aanwas.

 

De schoolmeester:

De schoolmeester moet ook wel andere karweitjes opknappen dan lesgeven aan de kinderen. In de kerkenraads-vergadering van 1 oktober 1651 wordt bericht dat meester Abraham van der Leen erop wijst dat hij voor het luiden van de klok, het schoonhouden van de kerk en andere aan de kerk bewezen diensten nog nauwelijks enige beloning heeft ontvangen. Hem wordt nu voor een jaar, te rekenen vanaf genoemde datum, een bedrag van 20 gld. toegekend, uit de kerk middelen te betalen.

Dergelijke financiële zaken komen wel eens vaker ter sprake in de kerkenraad. Overigens geven de acta van de kerkenraad hetzelfde beeld van de gemeente als de classicale acta, nl. van een opbouw die goed en rustig verloopt zonder schokkende gebeurtenissen. Expliciet blijkt dit uit het visitatieverslag van 18 maart 1653. Er wordt bevonden dat zowel de predikant als de ouderlingen en diakenen zich zo gedragen dat daardoor de gemeente wordt gesticht.

Onder de normale gebeurtenissen kan de reparatie van de vloer van de kerk gerekend worden, waarvoor meester Abraham 26 januari 1654 de som van 6 gld, en 10 st. ontvangt. Wel opvallend is bij uitzondering een ernstig incident dat 2 mei 1655 plaatsvindt en door Hendrick de Glyndt, secretaris van de gemeente en tevens ouderling, in het actaboek wordt beschreven: De drossaard stelt inderdaad een onderzoek in. Het blijkt Cornelis Engelsz. jonge man van Oud Gastel, te zijn geweest, die met een “kanne bier” en “andere stoutigheden” in de kerk is gekomen. Hij wordt door de schepenen voor een tijd van 2 of 3 jaar verbannen. Bovendien moet hij in de kerk voor de volle vergadering zijn schuld bekennen en om vergeving vragen. Deze schuldbelijdenis legt hij 3 december 1656 af na de predicatie. Dat is dus meer dan anderhalf jaar later; blijkbaar is het onderzoek niet al te vlot verlopen.

De collecte voor de diaconie heeft er de zondag van het incident niet onder geleden. De opbrengst is één gulden, terwijl deze overigens op gewone zondagen in dat jaar bijna steeds beneden dit bedrag blijft. In het ontvangsten en uitgaveboek van de diaconie dat in 1649 begint, worden veel giften aan doorreizende personen (passanten) vermeld, soms aan personen uit het buitenland.

 

De gemeente is niet talrijk:

Als opvolger van ds. Becude, die zelf de leiding heeft bij de selectie, wordt 15 november 1665, de kandidaat Cornelis van Hout voorgedragen. Er schijnen dan geruchten op te duiken dat er bij het selecteren niet geheel correct is gehandeld. De visitatoren komen een onderzoek instellen. De uitslag is gunstig. De stadhouder Johan van Wesel verklaart dat de verkiezing van Cornelius van Hout tot genoegen van de drossaard en de gehele regering is geschied en dat de keuze op zijn persoon de gehele gemeente bevalt. Wanneer hij dan ook nog zegt dat deze zelfs door de papisten (Katholieken) met instemming is opgenomen, praat hij blijkbaar zijn mond voorbij, want deze woorden zijn in het kerkeboek doorgestreept. Niettemin verloopt zijn predikant schap, dat 35 jaren zou duren, wat minder rustig dan dat van zijn voorganger.

Een hoogtepunt uit zijn loopbaan is wel, de aanschaf van een “Silvere beker tot gebruyk van des Heren avondmaal”, aldus de opdracht van 26 september 1677 in het Kerckboeck. Deze opdracht wordt verstrekt aan de kerkmeester d’heere Petrus Beens en de beker zal worden beheerd door de schoolmeester Boukhout. De beker is nog altijd in het bezit van de hervormde gemeente en kent de inscriptie “Kerke Gastel 1678” alsmede het wapen van Breda en het merkteken van de zilversmid (anker in schild).

Eerste blz. van het ledenregister
Eerste blz. van het ledenregister

Waarschijnlijk heeft de Gemeente onder de eerste predikant haar hoogtepunt met betrekking tot het aantal leden gehad en treedt er later een sterke daling in. Het is niet gemakkelijk na te gaan wat daarvan de oorzaken zijn geweest. Er is steeds vrij veel migratie en opmerkelijk is dat er in de eerste periode veel leden in Stampersgat wonen. Daaronder zijn schippers, die bij economische teruggang gemakkelijker dan boeren hun bestaan elders kunnen hebben gezocht.

Als een eeuw na ds. Becude in 1748 ds. Abraham Leonard van Meurs komt, treft hij slechts een 15-tal leden aan. Veel dopelingen zijn er evenmin. In de voorafgaande kwart eeuw is er nauwelijks meer dan één kind per jaar gedoopt.

Onder de leden was er nogal veel komen en gaan, zo niet bij de predikanten. Evenals de eerste predikant hebben de volgende zeven predikanten allen Oud en Nieuw Gastel tot aan hun emeritaat of overlijden gediend. In 1828 is het voor het eerst in de geschiedenis van deze gemeente dat een predikant vertrekt om een andere gemeente te gaan dienen (dit is Sirjansland en de eerstvolgende predikant die naar een andere gemeente vertrekt, in 1876, gaat eveneens daarheen). Veel predikanten zijn dus graag in Oud en Nieuw Gastel gebleven. Daarbij kan een rol hebben gespeeld dat hier, evenals op veel andere plaatsen in de Generaliteitslanden, een kleine gemeente was met toch een goed traktement.

 

Het wordt stil rondom Gastel:

Er is vooral veel onenigheid met de meerderheid van de rooms-katholieken. Deze trekken meer dan eens aan het kortste eind, wanneer de andere partij recht gaat halen in Den Haag. In 1678 komen er enige gezinnen uit Vlaanderen naar Gastel “omme den dwang der consciëntie in het pausdom t’ontgaen”. De magistraat wil hun vestiging slechts toestaan mits elk gezin voor 600 gld. borg staat. Door de Staten-Generaal wordt deze voorwaarde afgewezen.

Aan ds. Cornelis van Hout wordt per 15 oktober 1700 emeritaat verleend. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon of, liever gezegd, hij laat zich door zijn zoon opvolgen, want zelf is hij de director bij het benoemingsproces. Deze zoon Hendrik heeft vele jaren op een gemeente moeten wachten – niet ongewoon in die jaren – want hij was reeds in 1692 door de classis als proponent (theoloog met graad) toegelaten. Wel is hij sedert 1695 veldprediker en ook reeds gehuwd, nl. in 1693 met de weduwe van ds. Th. van Leesten uit Kedichem. Zijn predikantschap lijkt niet de gelukkigste periode in de geschiedenis der Hervormde gemeente. De classicale acta vermelden niets van dien aard; de naam van Gastel wordt nauwelijks genoemd, die van de predikant vrij geregeld als praeses of scriba (voorzitter of secretaris). Ook zijn vader zat vrij vaak in het moderamen (regionaal of landelijk kerkbestuur). Persoonlijke kwaliteiten heeft hij dus wel, maar in de gemeente komen deze volgens de ons ter beschikking staande gegevens niet tot uiting.

Notulen van kerkenraadsvergaderingen worden er gedurende de gehele periode van ds. Hendrik van Hout niet geschreven. Waarschijnlijk is er ook nauwelijks een kerkenraad. Wanneer na zijn overlijden gedeputeerden van de classis op 16 oktober 1719 te Gastel vergaderen, is er maar één ouderling en één diaken, die niet ter vergadering aanwezig is. Verslagen van gehouden visitaties zijn ook niet in het kerkboek te vinden, evenmin ledeninschrijvingen, terwijl ook het doopregister de indruk maakt slecht te zijn bijgehouden. Geen wonder dat het verslag van de eerste hierna gehouden visitatie op 4 juni 1720 hiervan melding maakt.

De kerkenraad is inmiddels aangevuld, maar dit schijnt geen langdurig resultaat te hebben, want in 1721 is er alleen één ouderling, zodat met gedeputeerden van de classis moet worden vergaderd. Dit duurt een tiental jaren, waarop een lange periode volgt met een minimale kerkenraad van 4 of 5 leden, nl. de predikant met één of twee ouderlingen en één of twee diakenen. Notulen van kerkenraadsvergaderingen zijn zo ook schaars onder de nieuwe predikant, ds. Evert Hendrik Clinge, die 30 juni 1720 wordt bevestigd. Wel echter worden de verslagen van de gehouden kerkvisitaties trouw ingeschreven. Daaruit komen we te weten dat het aantal leden gedurende de 18de eeuw steeds in de buurt van de 20 ligt. In het jaar 1721 lezen we dat het aantal toehoorders 30 bedraagt, natuurlijk met inbegrip van de 20 leden, en dat er ’s winters 160 schoolkinderen zijn, ’s zomers slechts 28. Het predikant schap van ds. Clinge duurt ruim 25 jaar, dat van zijn opvolger ds. Abraham Leonard van Meurs zelfs meer dan 30 jaar. De gemeente vertoont dan naar de trouw bijgehouden visitatieverslagen nagenoeg steeds hetzelfde beeld. Zeker kwantitatief neemt de school in het verslag van 17 mei 1752 een belangrijke plaats in. En men zal wel steeds met bijzondere zorg te werk zijn gegaan bij de benoeming van een nieuwe schoolmeester.

Veel ruimte (16 blz.) wordt in het kerkenraadsboek ingenomen door de weergave van al hetgeen betrekking heeft op het benoemen van een nieuwe predikant na het overlijden van ds. Van Meurs in 1779. En helaas kan men kort daarop weer opnieuw beginnen met deze omslachtige procedure, want de nieuwe predikant, Caspar Engelbert Heggers, overlijdt plotseling 2½ maand na zijn bevestiging. Hij laat bovendien een ontredderde boedel achter, maar dat is dan voor zorg van de magistraat. Er zijn geen vrienden of bloedverwanten bekend. Wel duiken er een aantal schuldeisers op voor een totaal bedrag van 984 gld., waaronder 240 gld. voor in de jaren 1747 t/m 1750 te Utrecht geleverde wijn (blijkbaar uit zijn studententijd). 

Zijn opvolger, ds. Johannes Bernardus van Raey, dient de gemeente nauwelijks 2½ jaar; hij sterft 16 mei 1783 ten huize van zijn vader, predikant te Silvolde.

 

De Franse tijd:

Na dit dubbele intermezzo komt er een predikant, die de gemeente Oud en Nieuw Gastel als vanouds lange tijd zal dienen. Hij wordt in 1784 op 31 oktober (Hervormingsdag) bevestigd en blijft de gemeente trouw tot aan zijn dood op 01 december 1825. Daarin valt dan de gehele Franse tijd met de nieuwe verhouding van kerk en staat. Hij, ds. Eco Jacobus Johannes Ecoma, heeft het daar wel moeilijk mee en geeft dan ook niet gemakkelijk toe. Volgens een additioneel artikel bij de grondwet van 1798 moeten de kerkgebouwen en pastorieën, voor zover niet door de kerkelijke gemeente na de Reformatie gebouwd, worden toegewezen aan het kerkgenootschap ter plaatse met het hoogst aantal zielen, terwijl de minderheid naar verhouding moet worden schadeloos gesteld. Gezien het aantal zielen der gereformeerden (inmiddels opgelopen naar 61) tegenover een aantal van 2113 rooms-katholieken lijkt de zaak betrekkelijk eenvoudig. Er wordt echter geprocedeerd, vooral over het juiste bedrag van de schadeloosstelling, waardoor tevens de toewijzing van het kerkgebouw wordt vertraagd.

Tenslotte stuurt het gemeentbestuur een bode met een brief aan ds. Ecoma en moeten de sleutels op 21 december 1799 worden overhandigd. Ds. Ecoma echter, verweert zich met als reden dat niet hij de sleutels heeft, maar de koster, Cornelis Hartman, die tevens de bode voor de gemeente was. Deze had al drie maal de sleutels namens de gemeente opgeeist, maar bleek ze dus zelf in bezit te hebben. De sleutels werden uiteindelijk overgedragen, maar daarmee is de uiteindelijke beslissing echter nog niet genomen. Nog jarenlang lezen we in de verslagen van de kerkvisitatie dat de beslissing over het wederzijds recht op het kerkgebouw nog in Den Haag ligt.

Wel kan ds. Ecoma in zijn pastorie blijven wonen en diensten opdragen, want hierop stelt de rooms-katholieke pastoor geen prijs. Hij richt de beste kamer in om er voortaan de godsdienstoefeningen te houden. Intussen blijft hij ijverig in de weer. In april 1809 schrijft hij een brief aan de minister van de eredienst. Hierin deelt hij mede dat door de hervormden in 1798 twee mogelijkheden zijn voorgesteld: of deling van de kerk (het grote koor voor de hervormden en het overige voor de rooms-katholieken) of beschikbaarstelling aan de hervormden van een bedrag, nodig voor het verkrijgen van een ander lokaal. Geen van beide voorstellen werd aangenomen, doch de kerk werd met alle fondsen, zonder afkoop of afdoening van zaken, door de rooms-katholieken in bezit genomen. De bijbels, stoelen, banken en preekstoelen, eigendom van de hervormden, werden opgeborgen op de zoldering van de grote kerk.

 

Een nieuwe Kerk:

1832 uit Gevers van Endegeest zicht op Gastelse pastorie en Hervormde Kerk
1832 uit Gevers van Endegeest zicht op Gastelse pastorie en Hervormde Kerk

Reeds op 21 mei 1809 kan ds. Ecoma het besluit van de koning van Holland bekend maken, dat er te Oud en Nieuw Gastel een klein kerkje zal worden gebouwd aan het huis van de predikant en dat hiervoor een bedrag van 5000 gld. zal worden toegekend (volgens een taxatie in 1801 kwam de hervormden volgens een evenredige verdeling een bedrag van 647 gld. 8 stuivers toe). De broeders waren zeer verheugd over deze tijding en bedanken de predikant voor zijn diensten. Weliswaar kan nu de bouw worden aanbesteed en aan Gerard Horsten te Fijnaart voor ƒ 4379,- . gegund, maar de Commissie van administratie te Breda maakt bezwaren tegen de bouw op de daarvoor bestemde grond. Door de ijver van de predikant worden deze binnen enkele maanden uit de weg geruimd en 12 september 1809 wordt de eerste steen gelegd. Meer moeilijkheden levert de financiering. In eerste instantie wordt slechts de helft van het bedrag uitgekeerd en dan nog in certificaten, die tot beneden 50 % van de waarde dalen.

Men laat het er echter niet bij  zitten en 31 maart 1811 kan ds. Ecoma de nieuwe kerk inwijden met een preek over Ezra 3: 11-13. Deze verzen handelen over het gereedkomen van het fundament van de tempel, niet van de tempel zelf. Zou ds. Ecoma in zijn preek hebben uiteengezet dat de ware tempel niet met mensenhanden wordt gemaakt?

Pastorie, Hervormde Kerk en kosters woning
Pastorie, Hervormde Kerk en kosters woning

Intussen blijft de gemeente klein, al zijn er jaren, waarin het aantal leden boven de 30 komt. Soms is het moeilijk een voltallige kerkenraad (met twee ouderlingen en twee diakenen) bijeen te krijgen. Nieuw is het zingen van de Evangelische liederen, die zonder bezwaar met ingang van 1 januari 1807 in gebruik worden genomen. Het zingen voor en na de dienst (blijkbaar voor het instuderen) gaat zelfs naar “genoegen en met stigting”. Nieuw is ook de benoeming van een kerkvoogd in 1821. Dit wordt als eerste U.Y. Heerma van Voss, secretaris van de burgerlijke gemeente. In de herfst van 1825 vraagt ds. Ecoma wegens zijn zwakke gezondheid emeritaat aan. Van hem wordt dan gezegd dat hij de gemeente 41 jaren trouw heeft gediend en de achting van alle ingezetenen geniet. Voordat hem dit wordt verleend, overlijdt hij op 01 december 1825. In de kerkenraadsvergadering van 11 december 1825 herdenkt de consulent hem met de woorden “Hij was een goed man!” (Hand. 11:24). Ds. Ecoma genoot de achting van alle ingezetenen, dus ook van de rooms-katholieken?

 

Veel predikants wisselingen en opgaan in de Protestantse Kerk Nederland:

Wordt na zijn overlijden de verhouding tussen beide bevolkingsgroepen minder goed? Wanneer er 4 april 1830 een nieuwe predikant wordt bevestigd (de directe opvolger vertrok binnen de twee jaar), verzoekt de burgemeester aan de commandant der koninklijke marechaussee “naar herwaarts te zenden twee manschappen ten einde bij de bevestiging des Predicants der Hervormde gemeente alhier de goede orde te helpen handhaven”. Of waren er andere redenen? De kerkenraadsnotulen geven geen uitsluitsel en ook overigens verschaffen deze nauwelijks materiaal voor de voortzetting van de geschiedschrijving der gemeente. De gebruikelijke agendapunten zoals de verkiezing van kerkenraadsleden, de aanneming van nieuwe leden, het afhoren van de diakonierekening, andere diakonale zaken en dergelijke komen regelmatig terug. En ook vaak al hetgeen verband houdt met het aanstellen van een nieuwe predikant, want in de 19de en 20ste eeuw blijven veel predikanten slechts een paar jaren (ds. Ecoma was de 8ste predikant in een tijdvak van ruim 175 jaren, na hem komen er 18 in een tijdvak van ruim 125 jaren) en het komt vrij veelvuldig voor dat een in een vacature beroepen predikant bedankt. En om genoemde reden èn om de hachelijkheid van het beschrijven van een recent verleden wordt hier verder volstaan met het noemen van enkele feiten:

In 1867 wordt er een nieuwe pastorie gebouwd naast de Hervormde kerk aan de huidige Dorpsstraat, aanbesteed voor een bedrag van ƒ 4295. Deze komt in plaats van de oude pastorie die op het eilandje in de pastorietuin stond en omstreek diezelfde tijd is gesloopt.

Preekstoel met een fresco van de kunstschilder Schipper uit Halsteren
Preekstoel met een fresco van de kunstschilder Schipper uit Halsteren

Ook met het kerkgebouw gaat er het een en ander gebeuren. Op 05 oktober 1926 wordt de 1e steen voor de Consistoriezaal gelegd door ds. Hengeveld, die in 1956 wordt vergroot. 

Spoedig daarna, in 1960 wordt de kerk zelf gerestaureerd door monumentenzorg en onder sterke leiding van ds. te Winkel, waarbij in het interieur nogal wat wordt gewijzigd. Opvallend is vooral de muur achter de nieuwe preekstoel met een fresco van de kunstschilder Schipper uit Halsteren: ruw in de muur het ‘kruis des behouds’, doorlopend in de mand met brood en vis, waarmee de schare van vijfduizend werd gespijzigd. Helaas heeft de sterke verandering van het interieur de grandeur van de kerk teloor doen gaan. Tevens bleken er nog al wat bouwkundige fouten te zijn gemaakt, wat leidde tot een noodzakelijke grondige restauratie waarmee op 01 april 2000 een start werd gemaakt. De kerk wordt opnieuw ingericht en krijgt weer de uitstraling van een kerk uit de waterstaaatsperiode met een moderne inslag. Tevens wordt de consistorie grondig gerenoveerd en uitgebreid tot een volwaardig gemeenteijk centrum voor kerkelijke activiteiten. In het totale project wordt zo’n ƒ 600.000,- geïnvesteerd.

 

Inmiddels is de Hervormde gemeente Oud en Nieuw Gastel per 1 juli 1955 opgenomen in een combinatie met Oudenbosch en Kruisland, waaraan eerst twee predikanten verbonden zijn, wonende te Oudenbosch en te Kruisland, en later slechts één predikant, wonende te Oudenbosch. De pastorie is vanaf 1953 verhuurd aan de overheid en in gebruik genomen als politiebureau en inmiddels .

De huidige situatie 07 januari 2022
De huidige situatie 07 januari 2022

Op 1 juli 1997 de Hervormde Gemeente Oud en Nieuw Gastel officieel opgeheven vanwege een fusie met de hervormde gemeente van Kruisland en is de nieuwe Hervormde Gemeente Gastel & Kruisland gevormd. De nieuwe Gemeente is tevens in een combinatie met de Hervormde Gemeente van Oudenbosch verder gegaan.
Toen op 01 januari 2005 de Protestantse Kerk Nederland werd gevormd is de naam van de gemeente gewijzigd in Protestantse Gemeente te Gastel & Kruisland. Deze naamswijziging is formeel bekrachtigd met het passeren van de notariële acte op 7 september 2005. Ds. Harm-Jan Inkelaar is samen met zijn vrouw, tot aan zijn emeritaat, april 2021, gebleven. Nu wordt de predikantsplaats voor 80% ingevuld door ds. Charlotte Inkelaar- de Mos en 20% door kerkelijk werker Gerarde de Jong BA.

 

terug naar het begin van de pagina

 

Bronverantwoording