De verschrikkingen van de Tachtigjarige Oorlog

De Tachtigjarige Oorlog, was een strijd in de Nederlanden die duurde van 1568 tot  1648 en zich richtte tegen de Spaansche overheersing.

In 1568 vielen de Oranjes de Nederlanden binnen.  Dit gebeuren ging in eerste instantie aan onze streken voorbij doch de soldaten brachten besmettelijke ziekten in het land. In juni 1568 – zo meldt Van Ham – brak de pest uit op het “Eiland” gelegen Fijnaart en Ruigenhil (Willemstad). De pest sloeg ook over naar (Nieuw) Gastel. Na de herfst moet de ziekte zijn afgenomen, want daarna wordt er niets meer van vernomen.

Een grote zorg voor de ingelanden van het “eiland” vormde de toenemende afbraak van de gorzen langs de dijken, vooral aan de noordzijde. De havendammen en het havenhoofd van Ruigenhil werden daarbij herhaaldelijk zwaar beschadigd. Reeds in 1565 hadden de markies en de ingelanden een overeenkomst gesloten over de onderhoudswerken.

Allerheiligenvloed 1 november 1570
Allerheiligenvloed 1 november 1570

De slecht onderhouden dijken waren een gemakkelijke prooi voor de stormvloed van 1 november 1570 (Allerheiligenvloed). Deze vloed deed een golf van verschrikking over West-Brabant gaan. Sommige dorpen raakten tijdelijk geïsoleerd. Niet lang daarna raken ook de oorlogshandelingen de streek, de 80 jarige oorlog was in volle gang en vervolgt Krüger zijn verhaal:

“Moedig boden zij het hoofd aan de invallen der Spaansche troepen en bandelooze geuzen in 1573”.

Volgens Van Nimwegen & Sicking waren de voortdurende schermutselingen tussen de Geuzen/Staatschen en de Spanjaarden in het West-Brabantse vooral een gevolg van het strategische belang van Bergen op Zoom voor de Spanjaarden. Na de dood van Jan IV van Glymes in 1567 in Segovia – waar hij een compromis tussen de strijdende partijen wilde bepleiten – was het markiezaat geconfisqueerd door de Spanjaarden. Die wilden vanuit Bergen op Zoom de Scheldedelta beheersen om zodoende te voorkomen dat de Engelsen daar te veel macht kregen. Engeland van haar kant had geen enkel belang bij een te sterke Spaanse macht zo dichtbij aan de overkant van de Noordzee.

Aanvoerder van de watergeuzen graaf Willem van der Marck, heer van Lumey
Aanvoerder van de watergeuzen graaf Willem van der Marck, heer van Lumey

Nog voordat de Geuzen op 1 april 1572 Den Briel binnenvielen, maakten de Watergeuzen West-Brabant onveilig. De pastorie van Standdaarbuiten werd in 1570 verwoest. Na de val van Den Briel werd de bedreiging door de Geuzen nog erger. Het markiezaat gaf het bevel dat men “alle ornamenten, ciboriën, cassuifflen, schilderijen en vanen enz” terstond naar Bergen op Zoom en het Kasteel van Wouw moest brengen.

 

Delahaye meldt dat er in die jaren nauwelijks sprake was van onderlinge schermutselingen tussen de hier aanwezige Spanjaarden en de Staat-schen, maar dat de bevolking vooral gebukt ging onder onvoorstelbare afpersingen, die het voor de polder-bewoners onmogelijk maakten om hun bedrijf voort te zetten, laat staan uit te breiden. Later zal blijken dat dit alleen nog erger wordt!

 

Leegloop van het West-Brabantse platteland

Rochus van den Berg wijdt een uitvoerig artikel over de leegloop van het West-Brabantse platteland. Hij vertelt dat in het voorjaar van 1577 de Spanjaarden weer vertrokken, maar hun “helpers”, voor-namelijk Walen en Duitsers, in de Nederlanden achterbleven. De “vendels” – zo werden de onder een vaandel opererende infanterie eenheden van het leger genoemd – die in Bergen op Zoom en Wouw lagen, werden al snel door de Staten-Generaal verjaagd waardoor het markiezaat weer in Staatsche handen kwam. Jan van Wittem, een overtuigd katholiek, werd de markies. Hij stond al snel onder curatele van Willem van Oranje. Zowel Jan van Wittem als de Staatschen wilden bij de inwoners van het markiezaat zoveel mogelijk belasting innen, maar ze kaapten de opbrengst voor elkaars neus weg. Zowel de kerken en kloosters als de plattelandsbevolking werden geplunderd en gebrandschat en hadden alles verloren. De inwoners van West-Brabant konden de belastingen, die door beide partijen werden opgelegd, niet meer betalen en vertrokken naar elders. Dit leidde tot een begin van de leegloop van het West-Brabantse platteland. Uitwijkplaatsen waren Zeeland met Tholen en Goes, de omgeving van Antwerpen en naar Holland. Kruger bevestigt dit beeld:

Plunderende soldaten bij een boerenwoning. Adriaen van de Velde, 1669
Plunderende soldaten bij een boerenwoning. Adriaen van de Velde, 1669

”Treurig was de toestand van Gastel op het einde der 16de en in het begin van de 17de eeuw. Bijna dagelijks werden de weinige inwoners, die niet op de vlugt waren, nu eens door de Spaansche, dan door de Staatsche troepen uitgeplunderd; geld was er niet meer te vinden, armoede en gebrek waren algemeen, niemands leven was veilig”.

 

De Furie van Haultepenne

Een opmaat naar de verschrikkingen van 1583 was volgens Victor Becker de wraak van de Staatschen in 1581 over het verlies van Breda. Na de inname van Breda  – ook wel de Furie van Houtepen of Haultepenne genoemd – hadden de Spanjaarden beloofd dat er niet zou worden geplunderd, maar dit gebeurde wel. Het moorden en plunderen hield lang aan en uiteindelijk vielen er 1584 doden. Uit verbittering staken de Staatschen de omliggende dorpen in brand. Ook Oudenbosch werd toen vrijwel geheel “in den as” gelegd. Het is niet denkbeeldig dat dit lot ook Nieuw Gastel is overkomen.

Becker schrijft over de gebeurtenissen in West-Brabant in 1581:

“In die tijd werden de inwoners van de dorpen beurtelings door de Staatschen en de Spanjaarden gebrandschat, uitgeplunderd en uitgedreven. Zodanig was het land uitgezogen dat toen Gastel eens een brandschatting van 70 gulden moest betalen dat bedrag in de gehele gemeente niet te vinden was”.

 

De campagne van Maarschalk Biron

Beleg onder leiding van Maarschalk Biron, naar een prent van Frans Hogenberg
Beleg onder leiding van Maarschalk Biron, naar een prent van Frans Hogenberg

De ontvolking van West-Brabant kwam pas goed op gang toen de Fransman Maarschalk Biron een militaire campagne begon op 23 april 1583. Die zette het hele markiezaat in rep en roer toen hij vanuit Antwerpen namens de Staatschen met een grote legermacht richting Roosendaal vertrok. Het beleg en de verovering van het kasteel van Wouw op 9 en 10 mei 1583. (Hiernaast afgebeeld). Roosendaal werd op 18 juni in brand gestoken. Iets later zijn Wouw en Oudenbosch aan de beurt. Juten schrijft dat er “naar hartenlust werd geplunderd en gemoord”.  We weten dit, omdat de archieven van Roosendaal en Kruisland zijn bewaard, Het is natuurlijk niet denkbeeldig dat ook andere dorpen hun deel in deze ellende kregen. Een request van de Abdij van Hemiksem meldt dat hele dorpen in de streek werden vernietigd en verbrand. Ook het vee werd geroofd en alle hout werd gekapt. Krüger citeert kanunnik De Pottere wanneer die over de situatie in Nieuw Gastel in 1583 schrijft: 

“Geheel den polder en het dorp werd met zout bedekt, huizen en schuren spoelden weg en de verschrikte bewoners gingen op de vlugt. Velen kwamen om door armoede en gebrek; men vond ze aan de dijk liggen, van honger bezwijkende”

 

1583. De dijken bij Nieuw Gastel worden doorgestoken; de eerste waterlinie in de Nederlanden

West Brabant en Nieuw Gastel, aldus Delahaye (15), werden pas echt getroffen, toen in opdracht van de Staatsche Graaf van Hohenlohe, de dijk van Nieuw Gastel op verschil-lende plaatsen werd doorgestoken en de sluizen bij de Visscherscreeck (Stampersgat) en Nieuw Gastel werden weggebroken. Deze actie was bedoeld om te voorkomen dat de Spanjaarden Zeeland en in het bijzonder Tholen zouden invallen vanuit het westen van Brabant. Ook op andere plaatsen waren dijken doorgestoken en de polders geïnundeerd. Op deze wijze werd langs de Eendracht, een zijarm van de Schelde, in 1583 de eerste echte waterlinie in de Nederlanden aangelegd.

 

En nog was het niet voorbij. Verdere rampspoed overkwam de streek toen op 10 juli 1584 Willem van Oranje werd vermoord door de Fransman Balthasar Gerards. De woede over die moord klinkt door in een resolutie van de Staten-Generaal van 21 juli 1584. Daarin werd besloten de Brabantse garnizoenen, waaronder Bergen op Zoom en Geertruidenberg aan te schrijven, dat zij zo spoedig mogelijk ‘sonder eenich verdrach oft dissimulatie’ zouden overgaan tot de verwoesting, vernieling en verbranding van ‘het lant ende stadt’ in Zevenbergen, Roosendaal, Gastel, de Peel, de Meierij van ‘s-Hertogenbosch en meer andere dorpen die de vijand van voedsel voorzagen.

 

Op 24 augustus 1584 kreeg Emmery de Liere, gouverneur van Willemstad, Klundert en Noordam van de Staten van Holland bevel de plattelandsbevolking te gelasten zich binnen de Hollandse steden te begeven en na hun vertrek alle dorpen en plaatsen in het land van Breda en omgeving te verwoesten en in brand te steken.

 

Dat West-Brabant was leeggelopen bleek uit de rekeningen van Jaspar van Kinschot, thesaurier-generaal van het Markiezaat, waarin we lezen we dat er in Wouw, Heerle, Moerstraten en Kruisland in 1584 geen ontvangsten konden worden ingeschreven aangezien er niemand woonde.

 

Ook Leenders (28) heeft in een artikel over de interactie tussen mens en natuur in de strijd om land en water, aandacht voor hetgeen toen gebeurde:

Soldaten plunderen een boerderij, Sebastian Vrancx, ca. 1600
Soldaten plunderen een boerderij, Sebastian Vrancx, ca. 1600

“In die jaren werd het noorden van Brabant geteisterd door ronddolende legerbenden die alom plunderden, roofden en brandstichtten. Het resultaat was dat de ruime omgeving van Roosendaal ontvolkt was. Zelfs waren de moerlieden van Roosendaal van ellende maar naar hun concurrenten in Bergen op Zoom gevlucht. De turfwinning lag stil”.

 

Pas na 1600 trad er wat terugkeer naar de West-Brabantse dorpen op. In 1605 moest nog een dubbele sluis gelegd worden, die ƒ 6000,- kostte. Het Spaanse leger vorderde ƒ 14.000,- . Daarna klaagden de ingelanden, “heeft het God Allemachtig beliefd ons met de pest te verzoeken” , zodat het merendeel van de huislieden stierf en veel landerijen onbebouwd lagen. Zij vreesden “met wijf en kinderen” gedwongen te worden de polder te verlaten. De pachters van de markies konden niet meer betalen. In 1607 vervielen de inkomsten van het markizaat voor de polders. Eerst de ingang van het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) bracht echte rust. Dat bestand kwam voor Nieuw-Gastel veel te laat; het dorp bestond toen al niet meer!

“In 1620 telde de uitgestrekte parochie Gastel met Prinsland en verdere onderhorigheden slechts 640 communicanten en 45 protestanten. Oudenbosch had 455 resp. 60 en bij de andere naburige gemeenten was het niet veel beter gesteld”.

In 1632 dreigde een nieuwe doorsteking van de dijk, nu van Spaanse zijde. Pastoor Arnoldus Hessels begaf zich naar Antwerpen om dit tegen te houden. Toen de prins van Oranje in 1637 voor Breda lag, gaf hij opdracht de dijk door te steken wat aan de Barlaque gebeurde. Het polderbestuur vereerde de daar gelegerde soldaten met een gift van ruim ƒ 260,-, waarschijnlijk om hen te bewegen de schade zo beperkt mogelijk te houden. Na de val van Breda had de inundatie geen zin meer en kon tot herstel worden overgegaan.  Daarna brak een rustiger tijd aan.