Door de grote belangstelling voor het oude hof van Oud Gastel,hebben wij besloten om het artikel uit het jaarboek 1992 van Heemkunde kring
"Het Land van Gastel" op onze site op te nemen.Dit artikel bevat twee studiën van Mr. H.P.A.M Mastboom.
En zijn overgenomen uit jaarboeken 1940 en 1960 'De Ghulden Roos' met toestemming van de auteur en oudheidkundige kring 'De Ghulden Roos'
Het dorp Oud Gastel, eertijds het centrum van heel dit zoomgebied, ontstond, agrarisch zeer gunstig en tevens veilig, midden op de Westrand van een vrij groot, enigszins oogvormig, diluviaal schiereiland, dat aan bijna alle kanten door gorzen omgeven was en slechts in het Zuidoosten door een tamelijk smalle hals of landengte verbinding had met de andere zandgronden.
Bij een aandachtige bestudering van de dorpsaanleg rijst het vermoeden, dat Oud Gastel, in de vroege middeleeuwen, op die gunstige plaats, in het kader van het toen alom geldende hofstelsel, gesticht is als een vroenhof of herenhof. Indien men het huidige Hof mag zien als de voortzetting daarvan, kan men ook de tegenwoordige Markt verklaren als het oude voorplein, buitenhof of veerhof en de parochiekerk als de verre opvolgster van de oorspronkelijke hofkapel, de eigen kerk van de hofheer. Er zijn trouwens nog meer plaatselijke gegevens, die wonderwel in deze hypothese passen.
Het is zeer merkwaardig, dat dit toch voor een groot deel van West-Noord-Brabant belangrijke en bovendien tamelijk goed bewaarde hofcomplex van oud Gastel tot nu toe vrijwel onopgemerkt moest blijven. Het doel van deze twee voorlopige studiën is de aandacht van alle belangstellenden op dat oude, waardevolle bestanddeel van ons heem te vestigen en tevens vast te leggen, wat er over het Hof van Oud Gastel nu reeds bekend is.
Moge dit geschrift bij velen meer liefde kweken tot onze streek en voor enkelen een prikkel worden tot verdere bestudering van Oud Gastels rijke verleden.
Advent 1960. H. Mastboom
(1) Deze gemeenten zijn: Oud- en Nieuw Gastel; Oudenbosch; Hoeven; Standdaarbuiten; Fijnaart en Heijningen; en Willemstad.
Onder de getrouwen van 'De Ghulden Roos' zullen er wel niet veel zijn, voor wie de Markt van Oud Gastel een onbekende is. Als dorpsmiddelpunt trekt zij gemakkelijk de aandacht van burger en vreemdeling.
Als knooppunt van verkeer wordt zij jaarlijks door duizenden gepasseerd, vooral sinds de gewestelijke bussen daar één van hun voornaamste halten hebben gevestigd.
Tot weinigen echter dringt het door, dat deze Markt, behalve dorpscentrum, ook nog het voorplein is van een oud landgoed, een hof, dat, hoewel achter enig geboomte verscholen, nog heden ten dage de voorname oostzijde van het Marktveld domineert.
Sinds lang vragen de te zeldzame Gastelaren, wier belangstelling uitgaat naar het verleden van hun dorp, zich vrij vruchteloos af, welke toch wel de oorsprong zou zijn en hoe de historie zou luiden van dit Hof,
het buiten zijn standplaats nauwelijks bekende Hof van Oud Gastel.
Zij hebben in hun jeugd vaak gespeeld onder de linden, die vooral 's zomers op het Marktplein de hofgevel grotendeels aan het gezicht onttrekken. Daar maakten zij dan kennis met Sier of Paschier van Gaans,
de gevreesde bewaker, die van kinderen zo weinig kon verdragen en als een strenge portier aan haast iedereen de toegang tot zijn heiligdom bleek te ontzeggen. Aan het uithalen van vogelnestjes in de prachtige hagen en talrijke heesters van het hofterrein kon onder zulk een bewind natuurlijk niet worden gedacht. Daarvoor waren de vijvers te breed en was Sier-Cerberus te onverbiddelijk.
Slechts eens in het jaar werd op de algemene ontoegankelijkheid van het hof een meestal korte inbreuk gemaakt zonder dat dit bedreigingen of straffen uitlokte.
Dat was in de winter, als het ijs hield op de vijvers. Volgens een ongeschreven wet mocht dan iedereen uit het dorp, jong en oud, naar hartenlust schaatsenrijden, slidderen (1) en sleeën, niet alleen op de buitenvijvers, maar zelfs op de binnenvijver. Zo leerde men het fraaie sterrenbos en later de boomgaard in hun wintergewaad enigszins kennen, maar de gebouwen met hun naaste omgeving bleven voor veruit de meesten terra incognita.
Het hof was in die periode een schoon lijk, waar echter geen plaatselijke Ledeganck zijn kunst ooit heeft beproefd. De oudere bewoners van Gastel herinneren zich nog, hoe aan het tijdvak van Sier van Gaans een eveneens langdurig bewaarderschap van Dries Luyken, die wegens zijn functie 'de Hond van 't Hof' genoemd werd, is voorafgegaan. Ongeveer een halve eeuw heeft het tijdperk van feitelijk leegstaan der hofgebouwen geduurd en alleen de heel oude dorpsbewoners, onze patriarchen, herinneren zich nog vaag, dat het hof werkelijk als herenwoning werd gebruikt.
Nog geheimzinniger dan hun tot de verkoop in 1928/29 het hof heden toescheen, leek voor de belangstellende Gastelaren steeds het verleden van dit merkwaardige dorpscentrum. Men begreep uit aanleg, omvang en ligging, dat dit landgoed een interessant verleden moest hebben, maar er was nagenoeg niets van bekend.
Het volk wist er weinig meer van te vertellen dan dat gedurende de XIXe eeuw het hof heel lang bewoond was door meneer Eeman, een Vlaming en volgens sommigen een deserteur, die op vrij jeugdige leeftijd naar Gastel kwam en daar trouwde met de weduwe van Reijsingen, geboren van Sprangh.
De heer Eeman, die in 1880 op ongeveer 90-jarige leeftijd overleed, had drie stiefkinderen zonder nageslacht, die natuurlijk van Reijsingen heetten, en één eigen dochter, welke in het huwelijk trad met de Roosendaalse brouwer P.C. van Loon.
Op deze wijze ging het hof, na de dood van meneer Eeman en zijn huisgenoten, over op de Roosendaalse familie van LoonEeman, welke in de volgende twee generaties telkens slechts uit één lid bestond en derhalve weinig behoefte had aan een tweede verblijf buiten haar woonplaats.
De laatste uit het geslacht van Loon-Eeman, Maria Isabella Lucia (1878-1943), sinds 1902 de kinderloze echtgenote van debankier Vincent A.C.M. van Gilse
(1872-1930), ging in 1928/29 eindelijk over tot verkoop van haar Gastels familiegoed, dat toen, voor wat zijn kern betreft, in handen kwam van de tegenwoordige hofeigenaar, die in of naast de gebouwen een winkel en zadelmakerij vestigde.
Bovenstaande bijzonderheden, welke voor het merendeel aan de plaatselijke tradities ontleend werden, stellen ons in staat een vluchtige schets te ontwerpen van de hofgeschiedenis der laatste eeuw, maar verder komen wij er niet mee.
De heer V. van Gilse placht weleer te vertellen, dat hij meende in het Gastelse hof een oud jachtslot der Prinsen van Oranje te moeten zien, maar waarop deze opinie steunde heb ik van hem nooit te weten kunnen komen. Zonder nader bewijs lijkt deze gissing onwaarschijnlijk, omdat Gastel geen deel uitmaakte van de Baronie.
Waar de mondelinge overlevering zwijgt, dienen wij ons allereerst te wenden tot de schriftelijke traditie: de litteratuur en de archieven.
Van deze twee stelt de eerstgenoemde ons al dadelijk volkomen teleur. Het Hof van Oud Gastel blijkt een stiefkind, ja een Assepoester, van de Brabantse geschiedschrijving te zijn. De auteurs zwijgen er over in alle talen. Zij schijnen er zelfs het bestaan niet van te kennen.
Het begint al met J.B. Kruger, die in zijn 'Kerkelijke geschiedenis van het bisdom van Breda wel hoog opgeeft van het slot Grimhuizen en deszelfs adellijke bewoners, maar het waarschijnlijk veel belangrijker hof in het geheel niet vermeldt.
De 'Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst: deel X: de provincie Noord-Brabant' bewijst haar provisoir karakter door onder oud Gastel van geen hof, te reppen. Ook de halve eeuw 'Taxandria', waarover Noord-Brabant thans beschikt, verrijkt onze kennis van het Gastelse hof niet rechtstreeks. Wel indirect, doordat n.l. enkele jaargangen bijzonderheden bevatten over familiën, die op dat hof hebben geresideerd. Dit verblijf wordt bij de bespreking van die geslachten in het tijdschrift echter nimmer gereleveerd, zodat ook voor de lezers van 'Taxandria' Oud Gastel's hof een onbekende grootheid is gebleven.
Deze schrale oogst bij een rondgang door de litteratuur toont ons weer eens te meer, hoe fragmentair de geschiedschrijving van Brabant tot op heden is gebleven. Sommige plaatsen zijnvrij goed en volledig, andere in het geheel niet beschreven. De toevallige aanwezigheid van een historicus of belangstellende was daarbij beslissend. Als het algemeen register op 'Taxandria', waarvan de publicatie mij door de drukker reeds anderhalf jaar geleden in het vooruitzicht werd gesteld, eenmaal verschenen is, zal blijken, dat ook in die hoofdbron voor onze historici de verschillende gemeenten van NoordBrabant zeer ongelijkmatig zijn behandeld.
Een gevolg van dit feit is, dat er voor personen met enige speurzin in ons gewest nog belangrijke ontdekkingen te doen zijn. Het hof van Oud Gastel, wellicht de sleutel voor de geschiedenis van dat dorp, is daar een sprekend voorbeeld van.
In dit verband lijkt het mij nuttig nog op een ander tekort te wijzen, een leemte ditmaal in onze algemeen Nederlands historiografie.
Het is mij n.l. opgevallen, dat onze vaderlandse geschiedschrijvers naar verhouding te veel hebben geschreven over het kasteel en te weinig over het hof en het hofwezen. Men mag hier gerust spreken van een verkeerd gerichte aandacht en een eenzijdige belangstelling in de eerste plaats bij de schrijvers en als gevolg daarvan ook bij het grote publiek. Terwijl het aantal gedrukte geschriften, wetenschappelijke en populaire, over de Nederlandse kastelen aanzienlijk is, zijn de publicaties over onze hoven zeldzaam en haast onbekend.
Moeten wij hier soms een tot heden onopgemerkt relict in zien van de geschiedschrijving der humanisten, die vaak het Latijn tot voertaal had en zich steeds kenmerkte door een overschatting van al wat afkomstig was van Romeinen en Grieken?
Het 'castellum' zal hun belangrijker hebben toegeschenen dan het hof, in welks naam de herkomst uit het Middellandse zeegebied niet hoorbaar besloten ligt.
Maar, zal men opmerken, wat is dan wel het verschil tussen een hof en een kasteel? Duidt men met beide termen niet het verblijf aan van een heer, een aanzienlijk persoon? Inderdaad, maar het schijnt mij toe, dat er tussen deze woorden niettemin een belangrijk verschil in nuance bestaat. Een kasteel is doorgaans een herenverblijf met een militair karakter en een hof heeft dit karakter in de regel niet.
Men kan natuurlijk de term hof ook ruimer opvatten en hem eenvoudig gelijkstellen met herenwoning. De kastelen worden dan een species van het genus hof. Het lijkt mij echter beter en meer overeenkomstig 'le bon usage' het woord hof te reserveren voor herenverblijven zonder uitgesproken krijgskundig karakter.
Dat de kastelen dit karakter wel en steeds bezitten volgt uit hun naam, die afgeleid is van het Latijnse soldatenwoord castellum en reeds in het Middelnederlands voorkomt als ontlening, waarschijnlijk uit het Noordfrans of Picardisch. Vanzelfsprekend wordt bij uitbreiding en door mensen, die weinig op hun woorden letten, de term kasteel vaak genoeg op gebouwen toegepast, waarvan ieder militair cachet ontbreekt, maar dit doet niets af aan het feit, dat de gewone betekenis van kasteel een engere is. In Westelijk Noord-Brabant heeft men dit ook van ouds blijkbaar zo gevoeld, want de versterkte herenverblijven te Breda en nabij Wouw noemde men kastelen, terwijl de voor het oorlogsbedrijf waardeloze adellijke woningen te Bergen op Zoom en Oud Gastel respectievelijk als markiezen-hof en hof zonder meer werden aangeduid.
Het is een vaak geuite grief tegen onze traditionele Nederlandse geschiedschrijving, dat deze veel te veel was een relaas van vechterijen en nog eens vechterijen en te weinig een verhaal over het godsdienstig, cultureel, juridisch en sociaal-economisch verleden van ons volk. De rechtmatigheid van deze grief vindt in de bovenstaande beschouwing over hoven en kastelen een treffend bewijs. In zijn kasteel zien wij de heer van het 'ancien regime' optreden als militair leider van zijn gebied. Maar hij was in werkelijkheid veel meer dan dat. Hij vervulde bovendien de functie van economisch leider, oefende doorgaans de rechtspraak uit en had ook dikwijls veel invloed op de godsdienstzaken in zijn territoir. Cujus regio, illius et religio, zei men nog algemeen in de XVIe eeuw. Welnu, op de hoven, waaraan immers meestal het militaire karakter vreemd is, zien wij de heren bezig als economische, culturele en juridische leiders van hun land.
Verschillende sporen van deze oude toestanden zijn in onze omgangstaal overgebleven. Wij noemen zekere leidende organen van onze rechtspraak gerechtshoven en wanneer iemand ons zeer voorkomend bejegent, prijzen of danken wij hem voor zijn hoofds of heus optreden.
Dat zelfs het kerkgebouw door onze voorvaderen als het middelpunt van een hof gezien werd, blijkt uit het woord kerkhof, als men daarbij bedenkt, dat in hun tijd de begraafplaatsen rondom de kerken gelegen waren. Ook in de steden was dit vaak het geval, zoals heden ten dage nog duidelijk is uit vele pleinnamen, bv. het Janskerkhof te Utrecht en St. Pauls Church-yard te Londen.
Door voortaan de kijker van hun belangstelling minder uitsluitend te richten op het kasteel en ook het hof in hun gezichtsveld te betrekken, zullen onze geschiedschrijvers tegemoet kunnen komen aan het rechtmatig verlangen naar een meer alzijdig georiënteerd historie-onderwijs. Wie de Middeleeuwse edelman uitsluitend voorstelt als een vechtjas, die zich in een kasteel verschanste, maakte van hem een karikatuur en vervalst de geschiedenis door grove onvolledigheid.
Het hofwezen, hoezeer ook nauw met het kasteelwezen verbonden, was belangrijker dan dat en verdient daarom een grotere plaats in de uiteenzettingen.
Als de door mij bepleite accent-verschuiving plaatsvindt, zullen de oude hoven van Nederland vanzelf meer tot studieobject gekozen worden en zal geleidelijk de armoede, welke ik boven in onze historische litteratuur op dit punt constateerde, verminderen. Er zijn trouwens al belangrijke studiën op dit terrein verschenen, maar het grote publiek is er nog niet genoeg mee in aanraking gebracht. Een boek b.v. als dat van Jhr. Mr. A.H. Martens van Sevenhoven over de 'Marken in Gelderland', bevat een schat van gegevens over de oude hoven in dat gewest.
Deze uitweiding leek mij nuttig, niet alleen om haar algemeen belang, maar ook, omdat zij de waarde van een studie over een onderwerp als het onderhavige scherp naar voren brengt. Ook in Brabant bestaat behoefte aan een inventarisatie der oude hoven en iedere bijdrage daartoe, al is het maar een simpele toponym,
is welkom.
Voor een goed begrip van de Gastelse hofgeschiedenis is, naast dat tussen hof en kasteel, nog een ander onderscheid bepaald onmisbaar. Ik bedoel de distinctie tussen hof als gebouw en hof als maatschappelijke instelling.
De daarmede vrijwel analoge onderscheiding tussen kerk als gebouw en Kerk als instituut is de meeste van mijn lezers waarschijnlijk meer gemeenzaam. Men brengt deze laatste in de schrijftaal vaak tot uitdrukking door de ene kerk met een kleine en de andere met een grote beginletter weer te geven.
Hof als gebouw en hof als instelling verhouden zich ongeveer als lichaam en ziel, als stof en geest. Het Gastelse hof van de eerste decennia onzer eeuw noemde ik boven een lijk, omdat het toen niet meer bezield werd door de maatschappelijke instelling, waarvan het zo lang het zichtbare hulsel was geweest.
Het staat vast, dat het tegenwoordige Gastelse kerkgebouw minstens het derde Godshuis is, hetwelk op die gewijde plaats werd opgetrokken. Misschien wel het vierde of vijfde. Onder al die gedaanteverwisselingen, al die afbraken of branden, herbouwingen of vergrotingen, bleef de Kerk van Gastel zonder onderbreking voortbestaan als de Geest, die telkens nieuw leven wekte of het gewekte leven onderhield.
Met het hof van Oud Gastel is het vermoedelijk niet anders gegaan. Ook daar zijn de huidige, op het eerste gezicht weinig belangrijke gebouwen waarschijnlijk niet de oorspronkelijke. M.a.w. het hof als instelling is, volgens deze hypothese, te Gastel aanmerkelijk ouder en voor Gastel's verleden heel wat gewichtiger dan de tegenwoordige gebouwen, geheel op zichzelf beschouwt, zouden doen denken. Die gebouwen zijn thans, om, met Floris Prims te spreken, het litteken van een verdwenen maatschappelijke instelling, waardoor zij eertijds tot aanzijn kwamen, maar die door hen later lang werd overleefd.
Ik zou in dit verband een lans willen breken voor een meer spirituele instelling bij de waardering van onze monumenten.
Te zeer heeft men zich m.i. tot nu toe blindgestaard op de materiële zijde onzer gedenktekenen van geschiedenis en kunst. Te weinig heeft men beseft, dat achter zulk een monument meestal een instituut of een idee schuil gaat, wat als geestelijk element nog wel zo belangrijk is als het stoffelijk gewaad, waarmede het zich toevallig bekleedde.
Een voornaam persoon behoeft zich niet altijd voornaam te kleden. Vorsten gaan wel eens incognito op reis en wandelen ook thuis niet altijd rond in hermelijnen mantels.
Zo kan het eveneens gebeuren, dat een hoogst belangrijke maatschappelijke instelling of een historisch personage van de eerste rang hebben gehuisd in een onaanzienlijk verblijf, dat als gebouw misschien weinig kunstwaarde bezit. Zulke bouwwerken moeten dan onder bepaalde omstandigheden toch als monumenten worden beschouwd en gerespecteerd uit eerbied voor de geest of de idee, welke zij hebben geherbergd.
In christelijke kring is men met deze opvatting wel vertrouwd. Daar heeft men altijd piëteit getoond jegens het stalletje van Bethlehem en het huisje van Nazareth, maar onze monumentenhoeders hebben zich, als echte kinderen van een bij uitstek materialistische tijd, niet geheel vrij weten te houden van een overschatting der zuiver stoffelijke zijden van onze gedenktekenen. Onze hele Westerse beschaving lijdt trouwens sinds de Renaissance aan veruiterlijking. Zij bezit te weinig innigheid en dreigt uiteindelijk in de materie, waarin zij zich te zeer heeft vastgeheid, te verstikken.
Maar wij moeten terugkeren naar ons hof. Deze instelling leerden wij kennen als het verblijf van een heer. Hof en heer zijn derhalve in oorsprong onafscheidelijk met elkaar verbonden.
Zij verhouden zich onderling als voetstuk en standbeeld. Gelijk het voetstuk een standbeeld van de begane grond opheft en aldus beter laat uitkomen, zo was in de middeleeuwse maatschappij het hof nodig om aan de heer het gewenste reliëf te verlenen. Beide, het hof en heer, zijn exponenten van een collectivistische maatschappij, waarin de kwaliteitsgedachte is opgenomen en op ruime schaal vervlochten zit. Als zodanig passen zij niet of kwalijk in de sociëteit, welke door de mannen der XVIIIe en XIXe eeuw in het leven werd geroepen. Deze draagt immers een uitgesproken egalitair en atomistisch karakter. Daardoor zijn liberalisme en hofwezen feitelijk doodsvijanden.
Het is dan ook geen wonder, dat het met de adel, kastelen en hoven in de landen, waar de denkbeelden der Franse revolutie ingang vonden en zegevierden, niet goed meer wilde gaan. Deze omwenteling schiep een sfeer, een rechtsorde, een maatschappij, waarin die kwaliteitsdingen niet langer welig konden tieren, maar hoogstens, als merkwaardige antiquiteiten, nog een poos mochten voortkwijnen om ten slotte aan de toepassing van het individualistische erfrecht of een andere eigenaardigheid van die nieuwe orde te bezwijken. In het relaas der lotgevallen van het Gastelse hof zullen wij van dit alles de weerspiegeling vinden. Het is met dat landgoed gedurende de laatste eeuwen steeds bergaf gegaan en men moet er zich eigenlijk over verwonderen, dat de kern er van, zij dat gehavend, tot in onze dagen haast onverdeeld in stand is kunnen blijven.
Na deze inleidende beschouwingen wordt het tijd, dat wij onze aandacht richten op hetgeen de archieven ons aangaande het verleden van Gastel's hof weten te melden.
Mijn onderzoekingen der beschikbare archivalia zijn thans zover gevorderd, dat ik een tamelijk volledige hofgeschiedenis kan geven voor de periode na 1700. Betreffende de eeuwen die aan de XVIIIe voorafgingen, beschik ik over een aantal losse gegevens, welke, aangevuld met enige min of meer plausibele hypothesen, een uitgangspunt en tevens een prikkel kunnen vormen voor verder onderzoek. Nu over dit hof praktisch niets gepubliceerd is, lijkt het mij best, na deze eerste algemene kennismaking, te beginnen met een uiteenzetting van zijn historie gedurende het meest recente tijdvak, dat der laatste twee eeuwen.
Het is mijn bedoeling, bij een volgende gelegenheid, aan die uiteenzetting een tweede hof-artikel te wijden.
Oud Gastel, zomer 1945. MR. H. MASTBOOM.
(1) Slidderen is een Gastelse vorm voor slibberen, na een aanloop snel over het ijs glijden.
Het platteland van Westelijk Noord-Brabant heeft vreselijk geleden onder de krijgsbedrijven van de laatste twintig jaren der XVIe eeuw.
In deze beslissende periode van de tachtigjarige oorlog werd de bittere strijd voor een groot deel in of vlak bij ons woongebied uitgevochten. Terwijl de nog betrekkelijk veilige versterkte plaatsen, met uitzondering van Bergen op Zoom, herhaaldelijk van machthebber wisselden, bleef het platteland bij voortduring weerloos overgeleverd aan de gewelddaden, opeisingen en inundaties van beide partijen en aan de afpersingen en plunderingen van vrijbuitende moeskoppers en kaasjagers. Hele dorpen raakten tijdelijk of gelijk Nieuw Gastel, zelfs blijvend onbewoond, doordat de bevolking omkwam of vluchtte naar veiliger oorden, en, toen het ergste voorbij was, moest heel veel, vaak door andere personen, weer van de grond af opgebouwd worden.
Deze rampzalige gebeurtenissen leggen een diepe caesuur in de geschiedenis van elk West-Brabants dorp en van menige West Brabantse familie. In het begin der XVIIe eeuw moest men op vele plaatsen weer van voren af aan beginnen, voor een goed doel met andere mensen. Kort vóór en tijdens de rust van het Twaalfjarig Bestand zien wij dan ook alom in deze streek nieuwe geslachten optreden, die een werkzaam aandeel nemen in het moeilijke en moeizame herstel.